• 14 sep

    2017

    Duidelijk non-concurrentiebeding in franchisecontract

    Non-concurrentiebeding in franchisecontract

    Een franchisecontract bevat vaak een non-concurrentiebeding. Zo’n beding zegt dat het een franchisenemer niet is toegestaan om activiteiten te ondernemen die concurrerend zijn met de activiteiten van de formule. Meestal geldt het verbod zowel tijdens de looptijd van de overeenkomst als ook een bepaalde tijd na afloop van de samenwerking.

    Met het verbod wil de franchisegever de knowhow die hij aan zijn franchisenemers heeft overgedragen beschermen tegen concurrerend gebruik en wil hij een opvolgend franchisenemer een goede start kunnen geven, zonder vrees voor concurrentie van zijn ex-franchisenemer.

    Afspraak is afspraak, tenzij … 

    Als je een non-concurrentiebeding opneemt in een franchiseovereenkomst, dan mag je ervan uit gaan dat die afspraak gelding heeft. Een rechter neemt de afspraak in ieder geval als vertrekpunt bij zijn oordeel en zal niet snel inbreken in de tussen partijen in vrijheid gemaakte afspraken.

    De rechter kan dat bijvoorbeeld wel doen, als de franchisenemer overtuigend weet te beargumenteren dat de franchisegever geen belang heeft bij het verbod, terwijl tegelijkertijd het belang van de franchisenemer bij vrijheid van handelen groot is. Een beroep van de franchisegever op het non-concurrentiebeding kan in zo’n geval onaanvaardbaar zijn. Dat is niet snel het geval.

    Ook wanneer het einde van de samenwerking overwegend aan de franchisegever te wijten is, kan de rechter afwijken van de contractueel gemaakte afspraak dat concurrentie na afloop van de samenwerking niet is toegestaan. De franchisegever kan dan geen beroep doen op het verbod.

    In de meeste gevallen zal een rechter partijen echter houden aan de tussen hen gemaakte afspraken. De franchisenemer die ondanks de gemaakte afspraken een concurrerende onderneming start, riskeert schade en boetes.

    Het belang van duidelijkheid  

    De franchisegever moet wel kunnen aantonen dat de franchisenemer ook daadwerkelijk iets doet wat niet mag en dat is niet altijd eenvoudig. Het bewijs stokt in de praktijk vaak vanwege de formulering van het non-concurrentiebeding. Daarin moet duidelijk staan wat precies verboden is. Als dat niet duidelijk is of onvoldoende ruim omschreven, staat de franchisegever alsnog met lege handen.

    Dat bleek ook in een recente rechtszaak bij de rechtbank in Zutphen.

    Het was de franchisenemer in die zaak verboden om binnen een jaar na het einde van zijn franchiseovereenkomst betrokken te zijn bij een concurrent van zijn voormalig franchisegever en ook om zelf als ondernemer de franchisegever concurrentie aan te doen.

    Toch zag de franchisegever zich geconfronteerd met een concurrent in de voormalige franchisevestiging. Deze concurrent werd echter niet gedreven door de ex-franchisenemer en die laatste had volgens de rechtbank ook geen betrokkenheid bij de activiteiten. Dit terwijl de ex-franchisenemer wel vanuit het winkelpand via een shop-in-shop zaken deed. Die activiteiten vond de rechter echter niet concurrerend met die van de franchisegever.

    Een duidelijk omschreven en redelijk non-concurrentiebeding in het franchisecontract had deze situatie kunnen voorkomen.

    Wil je informatie over een non-concurrentiebeding in een franchisecontract, neem dan contact op met Esther via esther@doenlegal.nl of 06-28090966.

     

Klanten die Doen