• 9 feb

    2018

    Concurrentiebeding in franchisecontract

    Een franchisecontract bevat vaak een concurrentiebeding. Zo’n beding verbiedt een franchisenemer om activiteiten te ondernemen die concurrerend zijn met de activiteiten van de formule. Meestal geldt het verbod tijdens de looptijd van de overeenkomst en een bepaalde tijd na afloop van de samenwerking.

    Met het verbod wil de franchisegever als het goed is de knowhow die hij aan zijn franchisenemers heeft overgedragen beschermen. Ook wil hij een opvolgend franchisenemer een goede start geven, zonder vrees voor concurrentie van zijn ex-franchisenemer.

    Een definitie van een concurrentiebeding in franchise-relaties vind je in de Nederlandse Franchise Code (een pdf. kun je hier vinden).

    Afspraak is afspraak, tenzij …

    Als je een concurrentiebeding afspreekt, dan mag je ervan uit gaan dat die afspraak ook geldt. Een rechter neemt de afspraak in ieder geval als vertrekpunt bij zijn oordeel. Hij zal niet snel inbreken in de tussen partijen gemaakte afspraken.

    De rechter kan dat bijvoorbeeld wel doen, als de franchisenemer weet te onderbouwen dat de franchisegever geen redelijk belang (meer) heeft bij het verbod. En als tegelijkertijd het belang van de franchisenemer bij vrijheid van handelen groot is. Hij maakt een belangenafweging. Een beroep van de franchisegever op het concurrentiebeding wordt in zo’n geval niet langer gehonoreerd.

    Belangenafweging

    Recent kwam zo’n belangenafweging aan de orde in een rechtszaak tussen een franchisegever en een voormalig franchisenemer. Het belang van de franchisenemer bij het openhouden van zijn nieuwe, concurrerende, winkel woog naar het oordeel van de rechter zwaarder, dan het belang van de franchisegever bij naleving van het concurrentiebeding.

    Relevante omstandigheid in dit geval, was de relatie van de partijen in de laatste maanden van hun samenwerking. Deze had nauwelijks meer het karakter van een franchise-samenwerking. Er was naar het oordeel van zowel de voorzieningenrechter als het hof sprake van een “diffuse situatie”. Weliswaar handelde de franchisenemer nog onder de formule-naam, de winkel kreeg steeds meer een eigen uitstraling en voldeed op enig moment nauwelijks nog aan de franchiseformule. Bovendien kocht de franchisenemer zijn assortiment alders in dan bij de franchisegever.

    De franchisegever had de franchisenemer regelmatig aangesproken, maar hij had aan het gebrek aan formuleloyaliteit nooit (juridische) gevolgen verbonden. Door dat gebrek aan daadkracht, heeft de franchisegever zijn rechten verspeeld. De verhouding tussen partijen is niet langer als een franchiserelatie te beschouwen. De franchisegever komt geen beroep meer toe op het concurrentiebeding.

    Advies bij concurrentiebeding

    Het is niet altijd verstandig als franchisegever om te coulant of afwachtend te zijn. Soms is strikt handhaven beter. Als de franchisegever in het hiervoor genoemde voorbeeld tot het einde van de samenwerking had vastgehouden aan de verplichtingen uit de franchiseovereenkomst, dan had hij waarschijnlijk ook het concurrentiebeding kunnen inroepen.

    Lees hier ook mijn eerdere blog. Dat gaat over het belang van een duidelijk concurrentiebeding.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Klanten die Doen