• 6 apr

    2018

    Concurrentiebeding in franchisecontracten, afspraak is vaak echt afspraak

    Mijn collega Esther schreef al eerder over het concurrentiebeding in franchise-contracten.

    Dergelijke bedingen verbieden het de franchisenemer vaak om actief te zijn bij activiteiten die concurrerend zijn met de activiteiten van de franchiseformule. Dit verbod geldt dan meestal gedurende de franchiseovereenkomst en een bepaalde tijd na beëindiging van de franchiseovereenkomst.

    Rechtbank Midden-Nederland bevestigt in haar vonnis van 14 maart 2018 dat een concurrentiebeding niet snel terzijde zal worden geschoven. Ex-franchisenemer probeerde dit (zonder resultaat) met de stelling dat het beding strijdig was met het mededingingsrecht en in strijd met de redelijkheid en billijkheid op grond van artikel 6:248 lid 2 BW.

    Situatie

    Eiser is als franchisenemer vijf jaar actief geweest in de branche van uitvaartverzorging. Zoals vaak het geval is bij franchise-contracten, was sprake van een afgebakend gebied waar franchisenemer actief mocht zijn. Buiten dit gebied mocht franchisenemer haar uitvaartdiensten dus niet uitvoeren. Na beëindiging van de overeenkomst mocht ex-franchisenemer een jaar lang niet actief zijn in de uitvaartbranche binnen het gebied.

    Mededinging

    Rechtbank Midden-Nederland ging niet mee met het standpunt dat het concurrentiebeding in strijd was met het mededingingsrecht. Niet aannemelijk was gemaakt dat sprake was van merkbare beperking van de mededinging.

    Hierbij wordt ook verwezen naar het bekende Pronuptia-arrest van het HvJ EG (thans EU). Het Hof oordeelde hierin dat franchise-overeenkomsten in principe niet in strijd zijn met het kartelverbod als bepalingen in de franchiseovereenkomst noodzakelijk zijn voor de bescherming van de know-how van de franchisegever.

    Redelijkheid en billijkheid

    Ook het standpunt dat het concurrentiebeding in strijd was met de redelijkheid en billijkheid strandt.

    Ex-franchisenemer voert in dit verband aan dat hij ondertussen een band heeft opgebouwd met cliënten in het betreffende gebied. Hij zal nu moeten concurreren in het gebied daarbuiten met andere franchisenemers in welk gebied hij zich tijdens de overeenkomst niet mocht bewegen. Ook noemt hij als argument nog het feit dat hij een royale franchisevergoeding heeft betaald om als franchisenemer werkzaam te zijn.

    Rechtbank Midden-Nederland is niet overtuigd door deze argumenten van ex-franchisenemer. De volgende zaken acht de rechtbank daarbij relevant:

    • Het concurrentiebeding was duidelijk geformuleerd.
    • Ex-franchisenemer is willens en wetens akkoord gegaan met het concurrentiebeding.
    • Door franchisegever is voldoende aannemelijk gemaakt dat het concurrentiebeding onmisbaar is om de formule te beschermen. Ook was het concurrentiebeding nodig om  franchisenemers een eerlijke start te bieden binnen het gebied.
    • Het concurrentiebeding was geografisch bepaald en beperkt tot een jaar.

    Conclusie

    In deze uitspraak is opnieuw bevestigd dat, wanneer duidelijk geformuleerd, beperkt in tijd, in een afgebakend gebied en ter bescherming van zijn know-how, een rechter niet snel zal oordelen dat een non-concurrentiebeding onredelijk is.

    Voor franchisegever houdt dit in dat bij het opstellen van franchisecontracten goed nagedacht moet worden hoe ver het concurrentiebeding dient te strekken om haar formule (know-how) te beschermen.

    Voor een franchisenemer betekent dit dat goed nagedacht moet worden over de gevolgen van het concurrentiebeding na beëindiging. Weegt dit op tegen het mogen exploiteren van de franchiseformule? Afspraak is namelijk vaak echt afspraak en de gevolgen kunnen soms groot zijn.

Klanten die Doen