• 26 feb

    2010

    Retailers en namaakproducten

    Namaakproducten zijn een groot probleem in de huidige economie. Vooral landen als China, en Turkije staan bekend om het grote aanbod namaakproducten, ook wel counterfeit genoemd. En hoewel algemeen bekend is dat met de handel in counterfeit terrorisme wordt gefinancierd, de omzet groter is als de omzet in drugs, er vaak kinderarbeid in het spel is en de eigen economie om zeep wordt geholpen, blijft de vraag naar namaak producten nog altijd zodanig dat het de moeite loont. Met de opkomst van nieuwe handelskanalen en het uitblijven van sancties tegen tussenpersonen zoals marktplaats en E-bay, tiert de handel in namaakproducten welig. Organisaties als de Stichting Namaak Bestrijding, Interpol en de World Customs Organisation (WCO) nemen wel actie maar tot een structurele oplossing lijkt het maar niet te komen.

    Naast de merkhouders en hun licentienemers, zijn retailorganisaties eveneens de dupe van het grote aanbod namaakproducten dat onder meer via het internet wordt verkocht. Voor de laatste groep belanghebbenden lijkt echter maar weinig compassie te zijn. Een goed voorbeeld daarvan vormt de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 24 februari 2010 in een procedure die door Gaastra en McGregor was aangespannen tegen een handelaar die via marktplaats.nl namaakkleding aan de man bracht. De handelaar, geanonimiseerd tot X, heeft van februari tot en met april 2009 via marktplaats.nl kleding aangeboden en vanuit een gehuurde opslagruimte deze kleding verkocht. Middels een advertentie op marktplaats met daarin de tekst: “ afname 200 stuks 7.00 euro p/s. Meer… bellen voor de prijs” bood hij een partij aan van 200 stuks kleding met daarop aangebracht de merken GAASTRA en McGREGOR, waarbij hij ook vermeldde dat hij grotere aantallen kon leveren. Op 15 april 2009 heeft X aan een vertegenwoordiger van de eisers 30 kledingstukken voorzien van de merken verkocht vanuit de opslagruimte.

    Tegen deze verhandeling zijn met een beroep op de diverse merkrechten en het leerstuk van de onrechtmatige daad, de volgende partijen in actie gekomen.

    1. De Merkhouders (McGregor Finance B.V. en X-One B.V.);

    2. De Licentienemers in de Europese Gemeenschap (Emergo Sportswear B.V. en Gaastra International Sportswear B.V.):

    3. De Retailorganisaties van de merkhouders (Adam Menswear B.V. en McGregor retail B.V.):

    Partijen vorderen kort gezegd een verbod op verdere inbreuk, opgave van alle gegevens met betrekking tot de handel, afgifte van de voorraad, alsmede schadevergoeding en een proceskostenveroordeling. De Rechtbank stelt vast dat X inbreuk heeft gemaakt op de merkrechten van de Merkhouders zodat ten aanzien van hen de verbodsvorderingen worden toegewezen. Ten aanzien van de Licentienemers en de Retailorganisaties worden zij dus afgewezen. Dit is op zich niet opzienbarend, omdat in artikel 2.20 lid 1 Beneluxverdrag Intellectuele Eigendom (BVIE) te lezen is dat enkel merkhouders een verbod kunnen vorderen.

    De Merkhouders hebben door de merkinbreuk ook recht op schadevergoeding. Waar de Licentienemers nog geen verbod konden verkrijgen, kunnen zij als gevolg van de merkinbreuk wel schade claimen. Ook hier is niets verrassends aan, dit is immers terug te vinden in artikel 2.32 lid 4 en 5 en artikel 2.21 lid 3 BVIE.

    Wat echter wel op valt is dat de Retailorganisaties nu weer met lege handen staan. Waar het leerstuk van de onrechtmatige daad in combinatie met de vaststelling dat er van kwade trouw sprake is, een prima basis biedt voor de rechter om deze vordering tot schadevergoeding ook aan de retailorganisaties toe te wijzen, overweegt de Rechtbank nu:

    “Het enkele feit dat deze vennootschappen de exploitanten zijn van de winkelketens waar Emergo en Gaastra ( de Licentienemers ) hun producten (onder meer) aan leveren, vormt daarvoor (voor toewijzing dus ) onvoldoende grondslag.”

    Dat is een bittere pil voor de retailers.

    Naar mijn mening had overigens ook nog betoogd kunnen (en moeten) worden dat de Retailorganisaties als Licentienemer in de zin van het BVIE moeten worden aangemerkt, als gevolg waarvan zij ook met een beroep op het Benelux Verdrag Intellectuele Eigendom, succesvol een vordering tot schadevergoeding hadden kunnen instellen.

    Voor zover ik nu kan nagaan is dat echter niet gebeurd.

    Hoe dan ook, X gaat er nu wel met boter en suiker in. Hij krijgt een verbod toegewezen, zal schadevergoeding op te maken bij staat moeten betalen, moet alle gegevens betreffende de handel opgeven, waaronder de genoten netto winst, een accountantsverklaring verstrekken, de voorraad afgeven en voor tweederde in de proceskosten vergoeden nu de Retailorganisaties niets krijgen toegewezen. Wat echter blijft knagen is dat de Retailorganisaties aan het eind van de rit met lege handen staan en dat had naar mijn mening niet gehoeven.

Klanten die Doen