• 23 feb

    2018

    Schorsing van het concurrentiebeding in een franchisecontract

    Een franchisecontract bevat vaak een concurrentiebeding. Zo’n beding verbiedt een franchisenemer om activiteiten te ondernemen die concurrerend zijn met de activiteiten van de formule. Meestal geldt het verbod zowel tijdens de looptijd van de overeenkomst als een bepaalde tijd na afloop van de samenwerking.

    definitie concurrentiebeding?

    Een definitie van een concurrentiebeding in franchiserelaties vind je in de Nederlandse Franchise Code.

    Afspraak is afspraak

    Als je een concurrentiebeding afspreekt, dan mag je ervan uit gaan dat die afspraak ook geldt. Een rechter neemt de afspraak in ieder geval als vertrekpunt bij zijn oordeel. Hij zal niet snel inbreken in de tussen partijen gemaakte afspraken.

    De rechter kan dat bijvoorbeeld wel doen, als de franchisenemer weet te onderbouwen dat de franchisegever geen redelijk belang (meer) heeft bij het verbod. En als tegelijkertijd het belang van de franchisenemer bij vrijheid van handelen groot is. Een beroep op het concurrentiebeding wordt in zo’n geval niet langer gehonoreerd.

    Dat een rechter niet snel inbreekt in gemaakte afspraken, blijkt ook maar weer eens uit de onderstaande rechtszaak.

    Schorsing concurrentiebeding

    De franchisenemer van een tegel & sanitair formule is niet tevreden over de resultaten en verwijt dit de franchisegever. Hij vindt dat hij bij het toetreden tot de formule is misleid door wervende teksten van de franchisegever. Bovendien haalt hij de door de franchisegever afgegeven omzetramingen niet.

    De franchisenemer wil daarom de formule verlaten om onder eigen vlag verder te gaan. Zonder de kosten van de formule meent hij een beter resultaat te kunnen behalen. Dan moet alleen wel het concurrentiebeding van tafel.

    Zonder eerst de franchiseovereenkomst te vernietigen of te ontbinden, start de franchisenemer een kort geding.

    Kort geding

    Een kort geding is een procedure speciaal voor spoedeisende zaken, dus zaken die naar hun aard snel beslist moeten worden. In een kort geding kun je alleen een voorlopig oordeel vragen. Een definitief oordeel vraag je in een bodemprocedure.

    De franchisenemer vraagt de rechter in kort geding om het concurrentiebeding te schorsen voor het moment dat de franchiseovereenkomst wordt beëindigd. Hij vraagt dat op voorhand, omdat hij wil weten waar hij aan toe is.

    De rechtbank wijst de vordering van de franchisenemer af, omdat in kort geding niet goed kan worden vastgesteld of de franchisegever wel aansprakelijk te houden is voor door haar verstrekte onjuiste prognoses. Het kan namelijk in de bodemprocedure twee kanten op vallen.

    De franchisenemer legt zich niet bij dit oordeel neer en gaat in hoger beroep. Maar ook daar krijgt hij geen gelijk. Het hof oordeelt dat de franchisenemer geen spoedeisend belang heeft bij de vordering. De franchiseovereenkomst is nog niet geëindigd en de vraag naar het concurrentieding speelt dus nog niet.

    Na twee kortgedingprocedures eindigt de relatie tussen franchisenemer en franchisegever alsnog, maar dan met een faillissement van de franchisenemer. Wat de gevolgen zijn van zo’n faillissement bespreek ik een volgende keer.

    Wil je nu al meer weten over het concurrentiebeding in de franchiseovereenkomst, lees dan mijn eerdere artikelen over het belang van een duidelijk concurrentiebeding of over de belangenafweging die een rechter kan doen besluiten om het concurrentiebeding opzij te schuiven.

     

Klanten die Doen