Bohmermann en de vrijheid van meningsuiting

De rechtbank in Hamburg heeft gisteren een gedeelte van het inmiddels beruchte gedicht ‘Schmähkritik‘  van Jan Böhmermann over de Turkse President Erdogan verboden. Volgens de Duitse rechter is het gedicht weliswaar satirisch, maar met name de delen waarin Erdogan met seks in verband wordt gebracht, zijn ontoelaatbaar. Zo noemde Böhmermann Erdogan onder meer een geitenneuker. Delen van het gedicht die wel mogen gaan over de manier waarop Erdogan omgaat met de vrijheid van meningsuiting. Uitingen als ‘superstom, laf en verkrampt’, waarmee het gedicht begint, zijn wel toegestaan.

Veel mensen, waaronder Claudia de Breij, zijn het met deze uitspraak niet eens en vinden dat de vrijheid van meningsuiting geweld wordt aangedaan. Ik vind dat dat wel mee valt.

Natuurlijk is de vrijheid van meningsuiting een groot goed en een belangrijk grondrecht, maar er zijn meer grondrechten die gekoesterd moeten worden, zoals het recht op vrijheid van godsdienst, het recht op een eerlijk proces, het verbod van discriminatie, het recht op leven en het recht op privacy en eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

Al deze rechten zijn in 1950 vastgelegd in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en ze werken voor iedereen.

Als een dergelijk grondrecht onder druk staat, is het relatief eenvoudig om op te treden.

Soms zijn er echter situaties waarin 2 of meerdere grondrechten met elkaar botsen. Bijvoorbeeld als iemand met een beroep op de vrijheid van godsdienst een ander discrimineert. Maar ook is er frictie als een persoon met een beroep op vrijheid van meningsuiting iemand een geitenneuker noemt en daarmee die persoon in zijn persoonlijke levenssfeer aantast, ongeacht of dit een president is of niet. Als die grondrechten – die we met elkaar in de basis even belangrijk vinden – botsen, is het aan de rechter om een belangenafweging te maken en te beslissen welk grondrecht in dat concrete geval voorrang heeft boven het andere grondrecht. Dat is nu precies wat de rechter in Hamburg heeft gedaan.

In die belangenafweging heeft de vrijheid van meningsuiting deels het onderspit gedolven. Gewoon omdat de rechter van mening is dat iemand niet maar klakkeloos alles hoeft te accepteren wat er over hem of haar wordt gezegd, zelfs als dat het stempel van satire draagt en ook niet als een groot deel van de bevolking de man in kwestie een nare man vindt. De vrijheid van meningsuiting is geen vrijbrief om alles maar over iedereen te kunnen en te mogen zeggen en dit grondrecht kan onder omstandigheden beperkt worden.

Dat staat overigens ook met zoveel woorden in artikel 10 lid 2 EVRM opgenomen. Kennelijk heeft de Duitse rechter geoordeeld dat een dergelijke beperking in dit geval gerechtvaardigd was.

Dat laat gelukkig onverlet dat mensen zich met een beroep op de vrijheid van meningsuiting wel mogen opwinden over deze uitspraak en erover mogen klagen.